AVurVeda

'Gewoon omdat jij… jij mag zijn….!'


1 reactie

De kleine Madelief

De Kleine Madelief
Een verhaal geschreven door Madeleine Oppelaar

Een kleine Madelief stond zielsalleen in een weide met alleen maar gele bloemetjes. Zij was het enige kleintje van het stel. Madelief was jaloers en heel verlegen. Want waarom hadden zij wel vriendjes en vriendinnetjes om zich heen en zij niet. Bij hen was het dikke mik. Maar niemand keek haar aan. En lieten haar links liggen.

Hoe schichtig ze ook was, op een vroege Zondagochtend was ze het alleen zijn zo zat dat ze naar één van de gele bloemetjes toeliep om kennis te gaan maken. “Hey, jij daar met je gele hoed. Ik dacht ik zal even kennis maken. Mijn naam is Madelief…” “Ja en”, zei de gele bloem. “Ik heet Jan Jaap Paardenbloem, en jij hoort hier niet thuis. Jij bent onkruid! Ga toch lekker lopen kniezen in je eigen weide daarginds in het verre”, wees de bloem met zijn gele hoedje er nog achter aan. “Scheer je weg kleine opduvel! Ik wil je hier nooit meer zien, hoor je me? Pak je biezen en ga weg…”

De kleine Madelief begreep er niets van en bedroefd liep ze later met haar plunjezakje op de rug het boerenlandweggetje op. Op zoek naar een wereld waar ze misschien wel thuis zou horen. Hier was dat niet. Dat was haar pijnlijk duidelijk gemaakt. Maar, waarom was ze dan niet welkom op die weide? Er was immers toch plaats genoeg? En wat werd er bedoelt met onkruid? Betekent het dan dat je er niet mag zijn? Dat je onderaan de trap van iets staat? Waarom deed Jan Jaap Paardenbloem zo onaardig tegen haar? Ze had hem toch niets misdaan? Ze wilde enkel kennis maken en misschien vriendjes worden. Want dan zou ze nooit meer alleen zijn. Met grote passen loopt ze het eerste weggetje af. Snel weg van hier.

De dagen die volgden waren lang van eind en uur. Madeliefje bemerkte op dat ze steeds voorzichtiger werd en niet zomaar haar mondje opentrok om te vragen of ze in een gazonnetje even haar voetjes in het gras te rust mocht zetten. Want nergens vond ze bloemen die op haar leken of misschien van haar familie konden afstammen. Steeds werd ze wanhopiger.
Tegen de kille avondschemering was Madelief zo moe geworden van de vele stapjes die ze gezet had, dat ze dan toch in een weide bij een groot watertje een slaapplekje voor de nacht gevonden had. Geknield tegen een Berkenboompje was ze in een slaap gesukkeld en droomde vooral over de avonturen die ze beleefd had. Die gemene Jan Jaap Paardenbloem had haar erg veel pijn gedaan. Hij had haar het gevoel gegeven niet waardig te zijn. Was ze maar groot en krachtig. Dan kon ze hem eens goed de les lezen. Maar helaas was ze hiervoor te klein van stuk en veel te onzeker.

“Bonjour Madam, petite fille, zeg… wat doe jij hier zo alleen?”, vroeg een statige hoge rode bloem met een chic accent. Geschokt opent de kleine haar ogen. “Dag mevrouw, sorry ik was hier in slaap gevallen. Mijn bolletje en voeten waren zo zwaar geworden van het vele lopen ziet u…. Dat ik hier ben neergevallen. “
De kleine Madelief kon haar pijn niet langer meer verdragen en barst in dikke tranen uit. “Ik weet niet waar ik thuishoor. Nergens zie ik familie. Nergens maak ik vrienden. Een onaardige bloem, hij heette Jan Jaap Paardenbloem, zei tegen mij enkele dagen geleden, dat ik onkruid zou zijn en maar naar mijn eigen veldje in het verre moest gaan. Sindsdien ben ik op zoek naar dat veldje waar ik mij hopelijk thuis zou kunnen voelen. Maar ik kan hem niet vinden. En ik ben heel bang geworden om opnieuw gekwetst te worden. Waarom is toch alles zo moeilijk? Wat is het nut nog op de aarde voor mij als ik toch voor prut word aangezien? Waar kan ik gewoon ongestoord mij zijn? …“
“Oh la la, la la”, zei de statige bloem. “Ik ben Celeste Klaproos en dit is mijn man Chapin, de Korenbloem. Lus je een stokbroodje misschien? Chapin legt er net eentje op het vuur.”
Celeste gaat verder; “Ja dat is niet fijn he? Als je harteloos zo wordt weggestuurd. Wij zijn ook hier komen wonen omdat we niet meer langs de kant mochten staan van een boze mens. Ineens moest alles netjes zijn en wilde ze ons maar steeds wegmaaien. Na het zoveelste dreigement zijn we naar dit rustige plekje verhuisd. Ver weg van al het gespuis en gedonder. Hier kunnen we nog volop wild groeien, vrolijk en in liefde zijn. Inmiddels hebben we een hoop kinderen en kleinkinderen mogen krijgen. Samen hebben we het heel fijn onder elkaar.

Droog je traantjes maar snel. Jij vindt jouw plekje wel. Hier dichtbij is een heel groot veld. Waar ook kleine lieverds zoals jij staan. Ze zingen en dansen veel en maken altijd plezier. Treurig zijn ze nooit. Alleen een beetje eigenwijs misschien en wat achter in de groei gebleven. Je hoeft enkel het bos door en dan zie je het groene veld liggen. Maar eet eerst nog wat klein ding voordat je gaat!” Mevrouw Klaproos gaf Madelief nog wat stokbrood en zei in het Frans ‘au revoir.’ Dat betekent op haar meest deftigst gezegd, Tot Ziens! “Dag mevrouw. U bent heel lief, dank u wel. “ Madelief wilde haar nog een kus geven als een teken van waardering. Maar durfde niet. Vol goede moed ging Madelief weer op pad na de lieftallige en hemelse woorden van de statige mevrouw Celeste Klaproos.
“Dag meid. Goede reis en succes”, zei mevrouw Celeste nog, terwijl meneer Chapin Korenbloem één van hun lawaaiige kinderen nog snel even de fles gaf.

Onderweg luisterde Madelief naar het gezang van de vogeltjes die in de bomen aan het fluiten waren. Do Re Mi leek het wel. Het kleine bloemetje probeerde mee te zingen maar snel deed ze het al op haar eigen manier. Ze zette haar paraplu uit, straalde van geluk, en sprong zo met haar korte beentjes het bos door. Op zoek naar haar eigen komaf.
“Papieren!”, riep een uil die de wacht in het bos hield, toen hij Madelief langs zag huppelen. “Dag meneer, ik ben op zoek naar mijn familie. Die zouden in het veld vlakbij het bos wonen. Mag ik verder alstublieft? Ik wil ze graag zien. Ik wil niet meer alleen zijn en nergens bij horen. Daar word ik niet vrolijker van. “
“C ‘est Bon petit fille. Dat is het pad helemaal rechtdoor uitlopen. Dan is het veld zo direct aan jou rechterzijde. Je kunt het bijna niet missen. Maar kijk je wel uit voor de Buizerd? Die wil nog wel eens wat rottigheid bij vreemde uithalen. Als hij je vraagt om op zijn rug te springen voor goudstukken, dan niet doen. Hij moet zijn geld maar eens verdienen door gewoon eerlijk te zijn. “
“Dank u wel meneer voor uw wijze raad. Dat zal ik doen. Wat aardig dat u dit zegt.” “Dag klein ding. Graag gedaan hoor! Hier ben ik voor!”

Madelief zette haar paraplu weer open en huppelde weer verder. Maar na een poosje werden haar voetjes wat moe en vond ze een plekje aan de rand van het bospad, om wat bij te komen. “Auw… wie prikt er nu in mijn achterwerkje?” Madelief kijkt op als ze iets ziet bewegen. “Uche Uche…. Is er ergens brand of zo? Ik hield nu net mijn siësta ja!” Een egel kijkt een beetje nors en zette wederom zijn stekelige kapsel omhoog, om zo zijn tussen de middag humeurtje uit te kunnen drukken.
“Oh, jij bent het. Madelief, was het niet?” “Ik hoorde het al aan de roep van meneer de Uil dat jij onderweg zou zijn. Hij is de burgermeester van dit bos, weet je, is graag de lopende krant en is overal van op de hoogte. Vertel je een roddel. Een minuut later weet meneer het en vertelt het verder.”
“Rust jij nog maar lekker uit. Ik snurk ook nog even verder. Ajuus. “

Madelief moet een beetje lachen om dat rare dier met zijn stekelige kapsel en zijn norse humeur. Maar eigenlijk was hij ook best wel lief. Want zij mocht blijven zitten en liet hij haar verder met rust. “Slaap lekker meneer”, zei Madelief. “Zeg maar Roderick”, zei de egel en sloot zijn oogjes. Al snel was er een knor geluid te horen en was Roderick de Egel in dromenland verzeilt geraakt.

Madelief keek nog wat om haar heen en zag kleine mieren ijverig bezig met het een en ander. “Die zijn dapper en sterk”, dacht Madelief. “Ze dragen alles op hun rug en doen dit met elkaar in grote lange rijen. Net zoals een familie. Dat wil ik ook!” Madelief springt op en besluit om verder te gaan.

“Hey sweetheart, ga je oma koekjes brengen?”, riep de Buizerd die boven de kleine Madelief nieuwsgierig rondcirkelde. “Klim maar op mijn rug dan breng ik je wel. Mag ik dan eerst effe een goudstuk van je vangen?” Voordat Madelief het wist, vouwt de Buizerd vlug zijn vleugel open als hij ineens langs het kleine tere bloemetje blijkt te staan. “Dag Buizerd, neen dank u wel. Ik heb al over u gehoord”, zei Madelief dapper. “Ik ben op zoek naar mijn familie. Zij zouden hier vlakbij wonen. Ik ben er al bijna dacht ik.
“Oh… excuse me my love, riep de Buizerd. Leuk familie. Ik mag hier alles in mijn eentje opknappen. Elk muisje die ik vang, daar moet ik voor betalen. Oké, soms met wat hulp. Maar dat doe ik echt alleen maar als ik dagen niet gegeten heb. Ik vraag dan stiekem geld voor de markt. Want oh… wat ben ik toch zielig. “De buizerd zette zijn krokodillen offensief in en zei, “kijk, je kunt mijn ribbenkas tellen. Een, twee, drie…. “
“Ja ja, Buizerd. U bent heel zielig. Maar helaas heb ik geen goudstukken. Ik kan u hoogstens een watertje aanbieden om de dorst te lessen “, zei de kleine Madelief weer dapper.
“Nee, nee, dat hoeft nu ook weer niet. Ga maar gauw lekker verder. Ik zal je niet langer ophouden.”
“Dank u wel Buizerd. Blijf gewoon eerlijk, dan komt u er ook wel!”
Uitgetogen, na wat ze heeft durven zeggen, zwaaide Madelief de buizerd gedag en zette haar huppelpas weer in. Want ze wist het. Ze zou uiteindelijk bijna haar familie kunnen begroeten.

Na een klein uurtje, kwam Madelief inderdaad het veld tegen waar kleine bloemetjes net zoals zij leefde. Iedereen had hetzelfde hoedje op als zij. Zingend kwam ze het veld op gesneld.
“Mijn lieve familie, wat ben ik blij jullie te zien! Eindelijk heb ik jullie gevonden na zoveel dagen lopen.” “Mag ik bij jullie in het veld komen wonen? “Ik ben Madelief.
“Ja hoor, kom erbij. De school is net uit. En we gaan zo met zijn allen gezellig een kop theedrinken om bij te kunnen kletsen over onze dag. Voel je welkom, je bent van harte welkom!”
“Ik ben Madelief Lené en die treuzel daar is Paöl, mijn ware geliefde. Hij is de banjo onder alle Madelieven maar zo nu en dan een tikkeltje onhandig en verlegen.
Kom erbij en wees jezelf. Wij zijn hier allen één. En zijn ontzettend blij dat je er bent. Wat een reis moet het zijn geweest voor je!”
De beide Madeliefjes gaven elkaar een knuffel en staarde nog lang naar elkaar van blijdschap.

De kleine Madelief was dol gelukkig dat ze haar familie eindelijk gevonden had. Eindelijk had haar bestaan kleur gekregen en hoefde ze niet meer op zoek in de wereld naar een beetje liefde. Nu hoorde ze ergens bij.
Al gauw werd Madelief vrienden met twee meisjes die aan de overkant woonde. Elke dag mocht ze dansen als een krans, met de andere madeliefjes, die in de lange vlechten van de meisjes ingeweven werden. Een heerlijk spel in het hemelse licht.

“En hoe is het nu met Madelief?”, vraagt een van de bloemen vele jaren later. “Oh goed hoor. Madelief is net voor de twintigste maal oma geworden en heeft dit verhaaltje inmiddels nu aan al haar kinderen en weer hun kleinkinderen zo’n duizendmaal voorgelezen. Want nooit meer heeft een Madelief naar zichzelf hoeven zoeken en leven ze nog steeds als een hechte familie in harmonie onder elkaar. Zonder traanvocht, maar met veel liefde, vrolijkheid en af en toe een liedje van Paöl met zijn banjo. “

__ // __

Het verhaal is in copyright van © Madeleine Oppelaar. 3 Mei 2018. Tijd close. 20.12 uur.
Gelieve niet kopiëren zonder een toezegging van de auteur. Hiervoor onze dank.

 

Advertenties